
Op een vrijdagmiddag voor Pinksteren, begin jaren zestig, reden we met ons volgestouwde legergroene Eendje vanuit Amsterdam noordwaarts: wij, mijn vader en moeder, zusje en broertje, zouden voor het eerst gaan kamperen op Texel. In Den Helder aangekomen, bleek hoe naïef we waren geweest; wij waren duidelijk niet de enige Texelgangers en we konden dan ook niet zomaar de boot op rijden. Via verschillende parkeerplaatsen werden we steeds dichter naar de haven geloodst. De uitgelaten stemming waarin we waren vertrokken sloeg gaandeweg om in gelatenheid, maar niet bij onze moeder. Volgens haar stonden we steeds in de verkeerde rij en werden andere rijen voorgetrokken. ‘Laten we maar teruggaan,’ riep ze dramatisch uit, maar daar wilde mijn vader niet van horen. Eindelijk kwamen we bij de laatste parkeerplaats voor de boot, het rook er spannend naar zilt en teer en touw.
De zon ging onder toen we eindelijk de boot op reden en de donkergroene golven zagen er onheilspellend uit. Toen we bij de camping aankwamen was het pikdonker en koud. Achter de jeep van de beheerder aan reden we over kronkelige hobbelpaden naar onze plek. Waar die plek was, daar hadden we geen idee van. Zouden we ooit weer de weg terug vinden? De maan ging schuil achter de wolken en het begon te motregenen. Dreigend tekenden zich de ontrekken van duinen af tegen de inktzwarte hemel.
In het licht van de koplampen zette mijn vader zo goed en zo kwaad als het ging onze oranje bungalowtent op (van de AH zegels) en even later kropen we daar met z’n allen in.
En toen werd het morgen.
De zon scheen uitbundig op de paarsgroene duinen om ons heen, hoog in de strakblauwe lucht kwetterden leeuweriken, al wist ik dat toen nog niet, en er hing een kruidige geur van buntgras en hei. Onze vrolijke oranje tent stond middenin een vriendelijke duinpan. Was dit echt dezelfde plek van de avond ervoor?
Een magisch moment, zo staat het in mijn herinnering gegrift.
Nog altijd krijg ik een Texelgevoel als ik ’s ochtends vroeg in de natuur ben en een leeuwerik hoor zingen. Gelukkig is het niet aan Texel gebonden, het kan me ook overvallen op het veld achter ons huis. Het mag zelfs zonder leeuwerik en dat komt ook goed uit want die hoor ik nog maar zelden.
Het Texelgevoel, de nacht is voorbij, de morgen is gekomen.
dankjewel voor deze prachtige beschrijving van geluk
RispondiEliminaMooi verhaal van Texel en jouzelf.
RispondiEliminaHanneke Brandsma